Eerherstel drie Mariniers – Deel II

“Wat doen we met deze vent,” vroeg sergeant Wikkers aan de adjudant. “Die kerel schieten we standrechtelijk dood. Iedereen moet er bij blijven. Dan weten ze voortaan hoe wij de zaak oplossen,” zei de adjudant […] “Ja, het lijkt mij beter de vrouwen en kinderen weg te sturen,” antwoordde sergeant Wikkers. “Niks daarvan. Onder die vrouwen zitten misschien ook wel vijandelijke elementen, riep de adjudant.” Dan kunnen zij ook zien wat wij met onze vijanden doen als dat nodig is.”

Onze jongens doen zoiets niet

Sinds 2007 staan de verhalen van marinier Cees Hardeman* op internet. Iedereen kan ze lezen. Hardeman was net als de drie mariniers waarvoor eerherstel wordt gevraagd, ingedeeld bij compagnie ‘L’ van het 3e infanteriebataljon Mariniersbrigade. Deze compagnie bestond uit ongeveer 130 man en werd in 1947 tijdens de ‘Eerste Politionele Actie’ ingezet rond Malang, Oost-Java. De openheid en schaamteloosheid waarmee de verschrikkelijkste oorlogsmisdaden terloops worden verteld is ontluisterend, maar geeft een goed beeld van de context waarin mariniers Marinus Smit, Louis Stokking en Johannes de Hoog weigerden een oorlogsmisdaad te begaan en om die reden lange gevangenisstraffen kregen.

Enkele passages uit Hardeman´s vertellingen. Het begin speelt zich nog in Nederland af, tijdens de opleiding.

Nog nooit hadden ze zo strak in het gelid gestaan, vierhonderd oersterke, jonge mariniers, samengesmolten tot één blok, één grote vechtmachine, een machtig gevoel. Ze waren er klaar voor. Ze zouden die ploppers een poepie laten ruiken. Zij zouden die zwartjoekels afschieten als fazanten.

Wat had hij geleerd tijdens zijn opleiding, behalve dat Soekarno zijn land had verraden en nu bezig was om alles te vernietigen wat Nederland in honderden jaren had opgebouwd?

Eenmaal in Nederlands-Indië aangekomen legt Hardeman uit hoe het in brand steken van diverse dorpen wordt aangepakt:

Bij aankomst bij de kampong sprongen we van de truck en de infanteristen stonden in linie om zo snel mogelijk de kampong in te trekken. De mitraillisten en mortieristen kwamen er onmiddellijk achteraan. “Wij rennen de kampong in en jagen de bevolking uit de huizen die het dichtst aan de rand van de kampong staan en steken deze in brand.” Er wordt niet geschoten alleen in uiterste noodzaak,” zei de OPC. [Operationeel Pelotons Commandant–red.] “Rennen!” […] Er werd door de vijand niet meer geschoten. Deze was kennelijk gevlucht. In de kampong waaierden wij uit en begonnen de huizen te doorzoeken. Per ploeg namen wij een huis en doorzochten het op wapens en mensen, vooral jongemannen. Maar jongemannen waren er niet. Het waren vooral vrouwen, kinderen en oude mensen. Wij joegen de mensen de huizen uit. Enkele huizen werden in brand gestoken. Huilend en gillend liepen de vrouwen in de kampong. Overal werden de deuren open getrapt en vloekend en tierend traden wij op. De bewoners van de kampong waren doodsbang. Huilend vielen de vrouwen en kinderen op de grond. Niemand trok zich er iets van aan. Het ene huis naar de ander ging in de fik. De mensen probeerden ons aan het verstand te brengen dat zij niet schuldig waren. Maar de mariniers waren voor geen reden vatbaar.

Ter vergelijk: een officieel patrouillerapport van een ‘zuiveringsactie´ ziet er zo uit: “Soemberredjo 42/66 gezuiverd. Een aantal vluchtende personen, naar schatting ong. 40 neergelegd…” zie document.

Hardeman vertelt over mensen die gevangen worden genomen:

De gevangenen werden in elkaar geschopt. Er werd geslagen en gestompt. De gevangenen krompen in elkaar van de pijn. Een van de ploppers bleek een officier te zijn. Hij had een oude KNIL helm op het hoofd.“Kijk deze schoft is een officier,” zei een marinier van het stootpeloton. Voor dat iemand het door had schoot hij de officier een kogel door het hoofd.. “Stop, niet meer schieten,’’ riep de luitenant. Maar de vijandelijke officier was dood.

Nog meer standrecht:

Het was rond 2400 uur en we reden patrouille in de omgeving van Rambipoetji. In het licht van de koplampen van de truck zagen wij een man wegspringen achter een boom. Maar hij had pech want we hadden hem gezien. De truck reed in de richting van de boom waarachter de man zich schuil hield. De truck stopte en wij sprongen er vanaf en stonden om de man heen. Hij was radeloos en viel op zijn knieën. Uit zijn sarong die over de schouder hing viel een klewang. Het was de eerste keer dat wij iemand pakten die een wapen bij zich had. Onze pelotonscommandant die deze nacht met ons mee was gegaan, was enthousiast. “Eindelijk hebben we er één. We gaan gelijk een voorbeeld stellen. We schieten de kerel dood en laten hem hier de hele nacht liggen.” Een schot knalde in de nacht. Een marinier had de trekker van zijn geweer overgehaald, zonder nadenken. De man sloeg tegen de boom en viel voorover met zijn gezicht in het zand. “Breng hem aan de kant van de weg dan kan iedereen hem zien. De ploppers zullen dan horen dat een van hen is doodgeschoten. Misschien worden ze dan wel voorzichtiger,” zei de adjudant. Twee mariniers trokken de dode man aan zijn benen naar de kant van de weg. […] De volgende morgen toen wij langs de plek reden lag de man er nog steeds. Wij waren alweer op patrouille. Het was een korte nacht geweest. “Verrek, die vent ligt er nog,” zei Herker. “Laat hem maar lekker liggen dan krijgen ze de schrik te pakken,” lachte Hardeman. Lachend reden we verder.

Het volledige verhaal van de eerste alinea van dit artikel:

“Wat doen we met deze vent,” vroeg sergeant Wikkers aan de adjudant. “Die kerel schieten we standrechtelijk dood. Iedereen moet er bij blijven. Dan weten ze voortaan hoe wij de zaak oplossen,” zei de adjudant, “Hij zal het voorbeeld zijn voor eventuele ploppervriendjes.”De mariniers zeiden niets. Het standrechtelijk doodschieten van ploppers hadden ze nooit gedaan! Standrechtelijk doodschieten. Een opdracht van een adjudant der mariniers. “Er moeten vier mariniers komen voor het vormen van een vuurpeloton. Liefst vrijwilligers.,”zei de adjudant. “Doen we dat echt waar de bewoners bij zijn,”vroeg sergeant Wikkers. “Ja, dat heb ik net gezegd. Deze vent is een voorbeeld!” ”Ja, het lijkt mij beter de vrouwen en kinderen weg te sturen,” antwoordde sergeant Wikkers. “Niks daarvan. Onder die vrouwen zitten misschien ook wel vijandelijke elementen,” riep de adjudant.” “Dan kunnen zij ook zien wat wij met onze vijanden doen als dat nodig is.” “Dus iedereen blijft er bij aanwezig,” vroeg sergeant Wikkers nog eens. “Ja allicht, anders schieten we er nog geen moer mee op,” riep de adjudant. De adjudant had zwaar de pest in. Alles had hem al lang genoeg geduurd. “Kom op, mannen. Ik heb vier vrijwilligers nodig voor het vuurpeloton. Vier man is genoeg,” zei de adjudant. Hij bleef doordrammen. “Doen wij er wel goed aan, adjudant?” vroeg sergeant Wikkers nog eens. “Godverdomme, stel een vuurpeloton samen, sergeant!” de adjudant was nu witheet. “Oké, vier vrijwilligers!” “Nee, sergeant, wijs vier man aan,” riep de adjudant. “Adjudant, het lijkt mij beter vier vrijwilligers te vragen,” zei sergeant Wikkers heel rustig. “Het kan mij geen reet schelen wie het doet. Als het maar snel gebeurt,” snauwde de adjudant. “Vier vrijwilligers voor het vuurpeloton,” riep sergeant Wikkers. De mariniers stonden niet te dringen. Niemand voelde er iets voor. “Kom op mensen, vier mariniers heb ik nodig. Het moet niet te lang duren,” zei sergeant Wikkers weer. Hardeman stapte naar voren. Hij was tijdelijk korporaal en voorgedragen voor de rang van tijdelijk sergeant. Twee mariniers volgden hem. “Sergeant, schiet op. Nog een marinier moet er komen,” riep de adjudant. “Nog een vrijwilliger,” sergeant Wikkers bleef erg rustig. De kampongbevolking bleef rustig. Zij voelden ook dat het niet van harte ging. “Wijs er een aan, sergeant. Schiet nou toch op. Het hangt mij de strot uit,” de adjudant is buiten zinnen. “Jan Blomhof, jij gaat daar bij staan. Jij bent de vierde man,” zei sergeant Wikkers. “Sergeant, ik doe dat liever niet,” zei Blomhof. De adjudant hoorde wat Blomhof zei. “Verdomme, nou dat weer. Wat een klootzak. Dat noemt zich marinier,’’ beet de adjudant van zich af. “Toch doe ik het liever niet, adjudant,” zei Blomhof nog eens, “U weet het ik ben eigenlijk geen infanterist, ik ben chauffeur en voor straf bij de infanterie geplaatst.” “Dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Dat is al erg genoeg. Donder maar op, zak” beet de adjudant opnieuw. “Een ander, jij, eindelijk. Wat heeft dat lang geduurd, verdomde lang,’’ de adjudant is vreselijk kwaad. “Dat noemt zich nou mariniers. Ze laten zich liever zelf doodschieten dan dat ze de dader doodschieten. Nou, schiet maar op!” Er stonden vier mariniers klaar om de man dood te schieten. Hardeman, de enige tijdelijk korporaal van het viertal, de andere mannen keiharde mariniers. Zij hadden al van alles meegemaakt. Zij hadden vrienden verloren tijdens beschietingen en tijdens patrouilles. Hardeman had er geen problemen mee dat er onder de vijand veel doden waren gevallen. De vijand streed ergens voor. Wij, Nederlanders hadden opdracht om orde en vrede te brengen en daar vielen doden bij aan beide kanten. Dit was iets anders. Dit was een standrechterlijke executie! Hardeman had er begrip voor dat de anderen het niet wilden uitvoeren. Maar wij hadden zoveel last van de ploppers. Voor ons zelf. Wij waren er niet op uit om iedereen maar dood te schieten. Maar wij wilden ook niet dat onze eigen jongens hier de dood zouden vinden. Er moest worden opgetreden. Standrechterlijk? “Kom op. Komt er nog wat van? Voltrek het vonnis.” riep de adjudant. Het vonnis? “Wij zijn klaar,” Riep Hardeman.

“Schouder,… geweer! Vuur!” Als een schot davert het. De man werd door de kracht van de kogels bijna dubbel achterover geslagen. Hij stond vastgebonden aan een bamboe hek. Hij komt langzaam naar voren alsof hij een duwtje in de rug kreeg. Heel langzaam komt het lichaam naar voren. De onderkaak hangt aan een kant los aan het gezicht. Een arm hangt als een slap koord langs het lichaam. De arm is vrijwel los van het lichaam. Het lichaam zakt door de slappe touwen op de grond.

Een golf van afschuw steeg op uit de menigte. De vrouwen gilden het uit. Vele van hen vielen van schrik en angst languit op de grond. Het vuurpeloton stond er belabberd bij. Niet begrijpend dat zij dit afschuwelijke gezicht hadden aangericht.

“Vuurpeloton inrukken,” riep de adjudant, “Klaar maken voor afmars.” “Zeg tegen de kampongbevolking dat wij hier geen problemen meer willen hebben. En als er vreemdelingen komen moeten zij ons direct waarschuwen,” zei de adjudant tegen de VDMB’er.

Het martelen van krijgsgevangen was routinewerk. Dit werd meestal door specialisten van de veiligheidsdiensten gedaan. Bijvoorbeeld door leden van de VDMB, Veiligheidsdienst Mariniersbrigade:

“We hadden die kerels een flink pak slaag moeten geven,” zei Lammers, “Dan hadden we nu misschien wel wapens en mijnen gevonden.” Laten wij dat slaan maar aan de VDMB overlaten. Wij zijn daar niet voor. […] Nu was het afwachten of de VDMB iets uit de kerels kon krijgen.

Een ander geval dat verderop wordt besproken:

Hardeman ging bij de VDMB informeren of zij al wisten wat er eigenlijk aan de hand was geweest de voorgaande nacht. Hij stapte het huis van de VDMB binnen. Haaksbergen zat op een stoel en voor hem stond een naakte Indonesiër. Hij werd hard onder handen genomen. Haaksbergen keek op en zei, “Deze vent heeft je vannacht uit je tampatje gehaald. Hij weet meer van het schieten.” Haaksbergen keek met zijn bekende grote grijns naar Hardeman. ”Hij zal straks wel meer vertellen.” “Hier moet ik niets van hebben,” zei Hardeman en verliet het huis. Hij wist dat de VDMB soms keihard te werk ging. Hardeman moest er niets van hebben. Aan de andere kant zo kreeg je wel inlichtingen.

Martelen geniet vaak de voorkeur boven een standrechtelijke executie

“Sergeant, deze twee kerels neem ik mee naar de post voor verhoor. Ze zijn licht gewond en kunnen best nog lopen.” ”Doe dat maar, maar zorg er voor dat ze op de post komen. Wij hebben genoeg te dragen.” “Oké, sergeant.” De beiden gevangenen hadden allebei nog een klewang onder de sarong verborgen. Ze boften dat ze niet doodgeschoten werden. Maar deze lieden hadden misschien nog iets te vertellen.

Kans op het verkrijgen van inlichtingen verspeeld:

Drie dode kerels lagen onder aan de trap van het VDMB verblijf. Eén van de mariniers die de kerels bewaakte was bij de sergeant van de VDMB, hij zei, “Sergeant, die andere ploppers zijn dood. Ze wilden vluchten en ik kon niet anders doen dan ze met mijn tommygun neerschieten.’’ De marinier was er niet van onder de indruk. De sergeant van de VDMB wel! Hij was woest. “Het enige wat jullie kunnen is mensen doodschieten. Het lijkt mij sterk dat die lui wilden vluchten. Ze zijn toch niet gek om er vandoor te gaan terwijl jij met een tommygun op hen gericht staat,” brieste de sergeant. “U denkt toch niet sergeant, dat wij die ploppers zomaar hebben doodgeschoten,” antwoordde de marinier en hij liep het huis uit. De sergeant deed verder niets. Niemand schonk er enige aandacht. Het leven van een plopper was niets waard. Over dit incident werd niet meer gesproken. De dode kerels werden door kampongmensen weggehaald. Het was alweer vergeten.

Wie beweert dat Hardeman een gewetenloze schurk is, zal moeten toegeven dat er na het lezen van volgende passage toch sprake is van enig rudimentair moreel besef:

Jezus wat moeten die kampongmensen niet allemaal meemaken. Wij wisten niet of ze schuldig waren. Hardeman dacht dat de meeste mensen niet schuldig waren maar dat er altijd elementen tussen zaten die wel schuldig waren. Maar haal ze er maar eens uit. Hardeman dacht aan de tijd in 1944 toen hij bij een Duitse razzia in de kast onder de grond zat. Toen scheet hij ook dunne stront. Deze mensen zullen ook vast die angst gekend hebben.

Rudimentair moreel besef én enig politiek inzicht:

‘Zo zal het altijd wel wezen. De marinier of de soldaat kan het vuile werk opknappen en de olieboeren en koffieplanters worden er weer rijk van.’

Opmerkingen van Max van der Werff, 7mei.nl

– Elk jaar brengt premier Rutte op veteranendag een saluut aan alle Nederlandse veteranen. Dus ook aan marinier Cees Hardeman.

– Tijdens het archiefonderzoek voor Eerherstel drie Mariniers konden we de drie helden in geen enkel overlijdensregister vinden. Dat kan een aantal dingen betekenen:

a) ze leven nog.
b) ze zijn korter dan twee jaar geleden gestorven.
c) ze zijn in het buitenland overleden.

Helaas blijken alledrie de mannen te zijn overleden. Met één mogelijkheid hadden we geen rekening gehouden:

d) Dossiers van overleden criminelen zijn niet openbaar. De drie mariniers die weigerden een dorp in brand te steken, zijn veroordeeld door de krijgsraad en daarom ook na hun dood criminelen. Postuum eerherstel is belangrijk om dit onrecht ongedaan te maken.

Politiek

Geheel conform de traditie van met name de Christelijke politieke elite van ons land liet voormalig minister van defensie Hans Hillen zich bij de beantwoording van Kamervragen september 2012 van zijn allerslechtste kant zien. U kunt zijn botte afwijzing van de oproep tot eerherstel hier en hier bekijken.

*Hardeman is een pseudoniem. De echte naam is bij schrijver van dit artikel bekend, maar zolang de politieke elite van Nederland onze veteranen als menselijk schild blijft misbruiken om haar eigen politieke falen te verhullen, voel ik niet de behoefte individuele frontsoldaten in het beklaagdenbankje te zetten.

Hardeman´s volledige verhaal is hier te lezen op de website semarang.nl

P.S. Schrijver van dit artikel heeft Hardeman* om een gesprek gevraagd, maar deze heeft dat geweigerd.

Eerherstel drie Mariniers: DEEL III

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s